Sint Ursula - ANW begrippen

ANW - Begrippen

Onderwerp Leven (art. 10-11-12)

leven De kenmerken van levende wezens (organismen) zijn:
(1) stofwisseling (waaronder ademhaling en voedselopname), (2) handhaven stabiel inwendig milieu, (3) reageren op prikkels, (4) reproductie (groei en voortplanting) en (5) doodgaan.
stofwisseling, metabolisme De omzetting van stoffen in het lichaam in ander stoffen Hierbij worden de benodigde grondstoffen opgenomen uit het milieu (de omgeving) en afvalstoffen weer afgegeven aan het milieu.
organische stoffen Energierijke stoffen, ooit ontstaan in een stofwisselingsproces en dus geproduceerd door organismen.
anorganische stoffen Energie-arme stoffen, waaruit de levenloze natuur is opgebouwd. Deze zijn nooit gemaakt door een organisme.
prikkel Een verandering in in- of uitwendig milieu die door gespecialiseerde zintuigen waar te nemen is.
atmosfeer Gasvormig omhulsel van de aarde/een planeet; dampkring
biosfeer Schil rondom de aarde, waarbinnen nog levende organismen kunnen voorkomen, van ± -1m in de bodem (wortelzone) tot ± +10.000 m, inclusief (diep)zeeën.
exobiologie De wetenschap die zich bezighoudt met de studie van buitenaards leven.
dissimilatie het vrijmaken van energie uit organische stoffen in stofwisselingsprocessen (verbranding).
assimilatie het opslaan van energie in het stofwisselingsproces door het vormen van complexe organische verbindingen.
homeostase Een stabiel evenwicht in het interne milieu, bereikt met behulp van regelmechanismen.
DNA Een (reuzen)molecuul uit de kern van een cel dat de genetische informatie van het organisme bevat. Het DNA bevat de code voor de aanmaak van eiwitten.
RNA (Reuzen)moleculen die betrokken zijn bij het aflezen van de codes van het DNA.
eiwit Een molecuul, waarvan de volgorde van de bouwstenen de functie bepaalt. De eiwitten zijn de chemische bestuurders van alle levensprocessen.
aminozuur Organische, stikstof bevattende stof. Het is de bouwsteen waarvan eiwitten worden gemaakt.
gen Een deel van de totale DNA-code, geschikt om één bepaald eiwit te maken (dus één bepaalde functie ten uitvoer te leggen).
coma Toestand van sterk gedaald of zelfs opgeheven bewustzijn. Willekeurige (= aan de wil onderworpen) bewegingen zijn vrijwel niet mogelijk. Gevoelswaarneming is grotendeels niet mogelijk.
hersendood De normaal aanwezige hersengolfpatronen kunnen niet meer gemeten worden.
hersengolfpatroon Electrische verschijnselen als gevolg van hersenactiviteit. Te meten met behulp van electroden die aan de buitenkant van de schedel worden aangebracht (EEG).
animale zenuwstelsel Dat deel van het zenuwstelsel dat de 'dierlijke' functies regelt. Dit zijn de functies waarvan je je bewust bent, bewust handelen.
vegetatieve zenuwstelsel Dit deel van het zenuwstelsel regelt 'plantaardige' functies. Dit zijn de functies waar je, voor het uitvoeren ervan, géén bewuste actie hoeft te ondernemen.
draagmoeder Een vrouwelijk organisme dat een embryo draagt dat ontstaan is uit een niet-lichaamseigen eicel. Deze eicel is buiten het lichaam bevrucht ('reageerbuisbaby') en als embryo in de baarmoeder van de draagmoeder geplaatst.
stasis Toestand, waarin stofwisselingsprocessen worden teruggebracht tot 0.
virus Verschijningsvorm ('levensvorm') (waarom staat dit hier tussen aanhalingstekens?) zonder eigen levensverschijnselen. Voor vermeerdering moet het virus gebruik maken van de stofwisselingsprocessen van een gastheercel. Een virus is meestal gespecialiseerd in een bepaalde gastheercel. Een virus bestaat alleen maar uit een mantel (eiwit) en daarin een molecuul DNA of een molecuul RNA (retrovirus).
prion Een bepaald eiwitmolecuul. Zonder dat het erfelijke informatie bevat is dit speciale eiwit toch in staat om zich te vermenigvuldigen. Een prion heeft hiervoor geen gastheercel nodig. BSE (gekkekoeienziekte) en CJD (ziekte van Creutzfeld-Jakob) worden door prionen verspreid.