Sint Ursula - ANW begrippen

ANW - Begrippen

Onderwerp Immuniteit en Resistentie (art. 21-22)

vaccinatie
=
actieve immunisatie
Toediening van een verzwakte of dode ziekteverwekker. Deze prikkelt het afweersysteem tot het maken van antistoffen.
Met die zelfgemaakte antistoffen bouwt het lichaam vervolgens immuniteit op tegen de echte, niet verzwakte ziekteverwekker.
De antistoffen zijn hierbij dus gemaakt door het lichaam zelf.
passieve immunisatie Toediening van antistoffen tegen de ziekteverwekker. Deze antistoffen worden dan gewonnen uit een ander organisme.
Met deze ingespoten antistoffen is de ingeënte persoon meteen immuun tegen de echte ziekteverwekker.
De antistoffen die hierbij betrokken zijn, zijn niet door het lichaam zelf aangemaakt.
antigeen Stof of vorm die lymfocyten aanzet tot het produceren van antilichamen
antilichaam Molecuul dat aan antigenen hecht om ze herkenbaar en/of inactief te maken
lymfocyt Een type witte bloedcel dat antilichamen produceert.
Immuniteit Bescherming tegen een ziekte doordat het afweer systeem de ziekte 'onthouden' heeft. Er zijn nog ziekte-specifieke lymfocyten aanwezig.
fagocyt Een type witte bloedcel dat indringers opvreet. De fagocyt herkent de indringers aan de antilichamen.
antibioticum Een middel tegen infectieziekten dat de ziekteverwekker direct aantast. Gevaar: bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen.
penicilline Het eerste antibioticum, bereid uit een schimmel, ontdekt door Alexander Fleming
resistentie Ongevoeligheid voor een bepaald antibioticum. Resistentie ontstaat door mutaties in het genetisch materiaal van de bacterie.