Sint Ursula - ANW begrippen

Begrippenlijst ANW

Onderwerp: Aarde en Atmosfeer (art. 24-25)

De opbouw van de aardbol 1. Binnenkern (straal 1300 km): vast
2. Buitenkern (2000 km dik): vloeibaar
3. Mantel (2900 km dik): plastisch gesteente
4. Korst (60 km dik): vast gesteente
Samenstelling van de bovenste bodemlaag zand: grofkorrelig vast materiaal
klei: fijnkorrelig vast materiaal
water: vloeibaar
gassen: gasvormig
organisch materiaal: vast plantaardig en dierlijk afvalmateriaal
Scheikundige elementen in de bodem Silicium, Zuurstof, Waterstof, Calcium, Koolstof, Stikstof, Fosfor
Troposfeer (tot 10 km) dalende temperatuur tot -55°C. De aarde straalt opgenomen zonnestraling terug als warmtestraling. Deze wordt door de steeds ijlere atmosfeer op grotere hoogte steeds slechter geabsorbeerd: dalende temperatuur.
Stratosfeer (tot 50 km): langzaam stijgende temperatuur tot 0°C. Op grotere hoogte wordt steeds meer ultraviolet zonlicht geabsorbeerd, hierdoor onstaat een toenemende temperatuur met de hoogte.
Mesosfeer (tot 80 km): dalende temperatuur tot -90°C. De absorptie van ultraviolet zonlicht neemt steeds verder af waardoor de temperatuur weer verder daalt.
Thermosfeer (tot 750 km): stijgende temperatuur tot boven 1000°C. De absorptie van röntgenstraling van de zon zorgt voor de opwarming op grotere hoogten.
Exosfeer (gaat over in interplanetair medium): hieruit ontsnapt gas naar de ruimte. Het medium is te ijl om er een eigen temperatuur aan toe te kennen.